Elk invoerveld in een node accepteert een vaste waarde of een variabele van het proces. Zo kun je bijvoorbeeld de vervaldatum, een documentnaam of een voorwaarde laten afhangen van gegevens uit je aanlevering. Levert een variabele een onbruikbare waarde op, dan stopt het proces met een fout en krijgt een medewerker een taak.
Welke variabelen zijn er
| Groep | Voorbeelden |
|---|---|
| Klant | klantnummer, naam, taal, geslacht, e-mailadres, telefoonnummer, adres, label |
| Post | betaalkenmerk, omschrijving, bedrag, type, factuurregels, vervaldatum, aanmaakdatum, batch |
| Status | betaalstatus, dagen over de vervaldatum, aanmaanfase |
| Vrije variabelen | variabele 1 tot en met 500, gevuld vanuit je aanlevering (bijvoorbeeld contractnummer, brutohuur, afdeling) |
| Uitkomst van een rekennode | de variabele waarin een berekening is opgeslagen |
Je kiest een variabele uit een lijst in het veld; typ niet zelf de naam.
Waar je variabelen gebruikt
- Logica: "bedrag groter dan 1000" of "variabele 5 is gelijk aan ZAKELIJK".
- Rekenen: "bedrag * 0,15" of "vervaldatum + 14 dagen".
- Document aanmaken: de documentnaam, bijvoorbeeld "Factuur #INVOICE1_NUMBER#".
- Kosten toevoegen: factuurnummer en omschrijving van de kostenregel.
- Taak aanmaken: titel en tekst van de taak.
Als een variabele niet bruikbaar is
Is een variabele leeg of heeft hij het verkeerde type (bijvoorbeeld tekst waar een getal moet staan), dan gaat het proces op Error en komt het proces als taak bij een medewerker. Corrigeer de gegevens en hervat het proces.
Goed om te weten
- Geef vrije variabelen een naam in Instellingen > Workflows > Labels en variabelen; dan zie je in de editor "Brutohuur" in plaats van "Variabele 35".
- Op de planning staan variabelen met een eigen naam en datatype (named variables), zodat vergelijkingen en berekeningen betrouwbaarder worden.
- In templates gebruik je dezelfde gegevens als
#VARIABELE#-velden. Zie Variabelen in templates.
